direct naar inhoud van 3.4 Watertoets
Plan: Stichtse Putten OCMNL te Zeewolde
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0050.BPOCMNL-ON01

3.4 Watertoets

Ten aanzien van het water dient de watertoets te worden uitgevoerd. In de provincie Flevoland is het waterschap Zuiderzeeland de beheerder die hiervoor verantwoordelijk is. Dit waterschap heeft daarvoor het "Waterkader, hoe kom ik tot een wateradvies" opgesteld. Dit kader is afgestemd met alle gemeenten en de provincie in het werkgebied van het waterschap. Ook voor dit plan is de in het waterkader opgenomen procedure gevolgd. In deze paragraaf worden de resultaten van de watertoets toegelicht en wordt bovendien de nodige aandacht besteed aan de te nemen maatregelen voor het water in het plangebied.

Proces

Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan.

De voorgenomen ontwikkeling is op 30 juni 2010 via www.dewatertoets.nl kenbaar gemaakt bij waterschap Zuiderzeeland (code 20100630-37-2033). Via de site is een uitgangspuntennotitie verkregen die is gebruikt bij het opstellen van deze waterparagraaf. Tevens heeft het waterschap per e-mail van 19 juli 2010 een aanvullende reactie gegeven. Ook deze reactie is verwerkt in deze waterparagraaf. Voor dit plan dient de normale procedure te worden gevolgd. Dit betekent dat het waterschap op een actieve manier betrokken dient te worden bij het opstellen van de waterparagraaf en in later stadium de uitwerking van het watersysteem.

De waterparagraaf is voorgelegd aan het waterschap. De opmerkingen zijn in de definitieve waterparagraaf verwerkt. Het waterschap geeft een wateradvies over de voorgenomen plannen. In navolging op dit bestemmingsplan worden de waterhuishoudkundige aspecten in overleg met het waterschap nader uitgewerkt. Tevens zal gezien de aard van de werkzaamheden een waterwetvergunning aangevraagd moeten worden bij het waterschap.

Beleid

Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat landelijk in de belangstelling. Thema's zoals 'water in de stad' en 'water als ordenend principe' zijn als speerpunten aangegeven in het vigerende beleid zoals vastgelegd in de Vierde Nota Waterhuishouding (ministerie van V&W), de Nota Ruimte (ministerie van VROM), de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw (WB21), de Handreiking Watertoets (VROM), het Omgevingsplan Flevoland (Provincie Flevoland), het Waterbeheersplan (Waterschap Zuiderzeeland) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW).

In het Waterplan Zeewolde "Bovenop boven het water" heeft de gemeente Zeewolde in samenwerking met waterschap Zuiderzeeland haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Bij de uitwerking van deze waterparagraaf wordt aangesloten bij dit plan.

Op Europees, nationaal en stroomgebiedsniveau wordt gewerkt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW streeft naar duurzame en robuuste watersystemen. Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige (2000) chemische en ecologische waterkwaliteit).

Het bovenstaande resulteert in twee drietrapsstrategieën:

  • waterkwantiteit (vasthouden, bergen, afvoeren);
  • waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren).

Beide strategieën zijn vastgelegd in de Nota Ruimte (2006).

Aan de hand van deze waterparagraaf wordt duidelijk gemaakt hoe het vigerend waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichtingsmaatregelen in het plan OCMNL Stichtse Putten, hoe met water in dit plan wordt omgegaan en op welke wijze de inrichtingsmaatregelen bijdragen aan 'Veiligheid, Voldoende en Schoon Water'.

Huidige situatie

Maaiveldhoogte en huidige bebouwing

Op de afbeelding "Hoogteligging" zijn de hoogteverschillen opgenomen. Het maaiveld van het plangebied ligt op circa 2,8 tot 2,4 m-NAP. De omliggende wegen liggen hoger dan het perceel: de Gooimeerdijk-Oost op circa 1,7 m-NAP en de A27 ligt een stuk hoger op circa 13 m+NAP. Het groene gebied ten noordoosten van het plangebied ligt lager, op circa 3,5 m-NAP of lager.

afbeelding "i_NL.IMRO.0050.BPOCMNL-ON01_0005.jpg"

Afbeelding: Hoogteligging

Op dit moment is op het terrein een bouwblok en een terreinverharding aanwezig. Achterop het perceel is een aantal schuren of loodsen aanwezig.

Bodem

Het plangebied is op de Bodemkaart van Nederland gekarteerd als een Kalkrijke Poldervaaggrond, die bestaat uit lichte klei. Dit wordt bevestigd door de boringen uit het Dinoloket van TNO. Uit de boringen blijkt bovendien dat de kleilaag circa 2,5 à 3,0 m dik is. Onder de kleilaag bevindt zich een veenlaag. Daaronder bevindt zich een zandpakket. In de TNO-boringen is onder de kleilaag lokaal gyttja aangetroffen. Gyttja is een organisch sediment dat bestaat uit dode micro-organismen, plantenresten en waterdieren en hun uitwerpselen dat wordt afgezet op de bodem van zuurstof- en voedselrijke (eutrofe) stilstaande wateren (meren, plassen en poelen).

Uit het archeologisch onderzoek op de locatie is de volgende boorbeschrijving gehaald: "Een typerend boorprofiel omvat een laag opgebracht zand met een dikte van ongeveer 100 cm, gevolgd door een lichtgrijze kleilaag van circa 40 cm dik. Op een diepte van 140 cm-mv wordt deze opgevolgd door een homogene, meestal donkergrijze kleilaag, die op ongeveer 250 cm-mv overgaat in een sterk kleiige veenlaag. De veenlaag heeft een dikte van circa 100 cm. Zand wordt aangetroffen op ongeveer 350 cm-mv."

Grondwater

Op de Bodemkaart van Nederland is het gebied gekarteerd met grondwatertrap IV. Dit betekent dat de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand) tussen 0,4 en 0,8 m-mv wordt verwacht. De GLG (Gemiddelde Laagste Grondwaterstand) wordt tussen 0,8 en 1,2 m-mv verwacht. TNO heeft geen relevante peilbuizen in dit gebied. De actuele grondwaterstanden worden lager verwacht dan op de Bodemkaart zijn aangegeven. Het grondwaterpeil zal hier sterk bepaald worden door het vaste polderpeil in het oppervlaktewater van 5,2 m-NAP (circa 2,4 m-mv).

Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.


Oppervlaktewater en veiligheid

In het plangebied is op dit moment geen oppervlaktewater aanwezig. Uit de legger van waterschap Zuiderzeeland (kaartblad 26DZ) blijkt dat aan de overzijde van de Gooimeerdijk-Oost een leggerwatergang is gelegen. Deze watert in oostelijke richting af. Rond het perceel is een ringsloot gelegen waar op dit moment het hemelwater van het terrein en de effluentlozing van de IBA op aan is gesloten.

Het gebied maakt deel uit van het peilvak ZOF Hoge Vaart en heeft een zomer- en winterpeil van 5,20 m-NAP. Het waterschap heeft aangegeven in haar waterbeheersplan dat het een gebied is met kwetsbaar water van het hoogste ecologische niveau.

Het gebied is niet gelegen in een gebied dat is aangewezen voor waterberging. Het plangebied ligt in de buitenbeschermingszone van de waterkering.

Riolering

Het vuile water in het plangebied is op dit moment aangesloten op een IBA. In de Gooimeerdijk-Oost is geen riolering aanwezig.

Toekomstige situatie

Keuze watersysteem

De voorgenomen ontwikkelingen mogen geen wateroverlast op andere tijden of plaatsen veroorzaken. Het plan wordt "waterneutraal" ontwikkeld. Het verharde oppervlak in het gebied neemt met circa 4.330 m2 toe. Voor de toename van de verharding dient compensatie te worden gezocht. Daarbij wordt voor de afwatering de gebruikelijke voorkeursvolgorde voor duurzaam stedelijk waterbeheer gevolgd. Het vuile water wordt gescheiden gehouden van het schone water. Het vuile water wordt in overleg met de gemeenten Zeewolde en Almere aangesloten op de vuilwaterriolering ten noorden van de A27 of in een eigen zuivering op locatie verwerkt. De daadwerkelijke keuze en detaillering vinden in een later stadium en in overleg met het waterschap plaats.

Voor het hemelwater is de voorkeursvolgorde hergebruik - infiltreren in de bodem - vasthouden - afvoeren gehanteerd. Het hemelwater wordt separaat ingezameld. Hergebruik van hemelwater is gezien de kleinschaligheid van het plan en de gezondheidsrisico's niet haalbaar. De infiltratiekansen in het gebied zijn gering door de aanwezigheid van een dikke kleilaag. Geadviseerd wordt het hemelwater in het plangebied op te vangen, vast te houden en vertraagd af te voeren naar oppervlaktewater.

Bij de inzameling van hemelwater wordt onderscheid gemaakt tussen hemelwater van daken (schoon) en terreinverharding (vuil). Beide hemelwaterstromen worden in een bergingsvoorziening aan de westzijde van het gebied opgevangen. Het schone dakwater mag rechtstreeks in deze voorziening worden geloosd. Het vuile hemelwater van het terrein dient via een zuiverende voorziening te worden geloosd. Een infiltratieberm of slibafscheider is een voorbeeld van een zuiverende voorziening.

De berekening van te realiseren berging is voor het landelijk gebied gebaseerd op de randvoorwaarde dat de maximale afvoer 1,5 l/s/ha bedraagt. Rekening houdend met de klimaatverandering wordt een correctiefactor van +10% toegepast op de maatgevende bui. Voor de dimensionering van de waterberging in landelijk gebied wordt een bui van 36,3 mm in 24 uur plus 10% (klimaatstoeslag) gebruikt. In totaal is er een bergingsopgave van 104 m3.

Er zijn twee mogelijkheden om deze bergingsopgave te realiseren:

  • 1. droogvallende voorziening van 1 meter diep en een breedte van 9 meter vanaf de insteek en een lengte van 70 meter;
  • 2. waterhoudende voorziening van 3,7 meter diep en een breedte van 20 meter vanaf de insteek en een lengte van 16,5 meter.

In een later stadium wordt dit in overleg met het waterschap nader uitgewerkt.

Waterkering

Het plangebied ligt in de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering. Er is geen (keur)beperking voor bouwactiviteiten. Wel is afgraven verboden, zonder keurontheffing. De belangrijkste voorwaarde is dat het waterkeringbelang niet in het geding komt. Daarbij zal het vaak nodig zijn dat de initiatiefnemer door middel van onderzoek aantoont dat de ontwikkeling de stabiliteit van de waterkering niet aantast.

Indien het gebouw binnen de buitenbeschermingszone wordt gerealiseerd, is een keurontheffing noodzakelijk. Afhankelijk van het ontwerp van het pand (met of zonder kelder/kruipruimte) zal dit effect hebben op de stabiliteit van de waterkering. Ook de exacte locatie van de waterberging is nog niet bekend. Indien deze binnen de buitenbeschermingszone gerealiseerd wordt, is ook hiervoor een keurontheffing noodzakelijk. Afhankelijk van het ontwerp en de omvang, zal dit effect hebben op de stabiliteit van de waterkering.

Wateroverlast

In het plangebied wordt wateroverlast voorkomen door het bouwblok met een vloerpeil te realiseren dat 0,2 à 0,3 m hoger ligt dan de verharding. Zo wordt afstroming van hemelwater tijdens hevige regenbuien in de richting van de bebouwing voorkomen. Daarnaast is de waterberging dusdanig gedimensioneerd dat een neerslaggebeurtenis van eens per 100 jaar, plus 10% klimaatsverandering, opgevangen kan worden zonder binnen en buiten het plangebied wateroverlast te veroorzaken. Indien meer hemelwater valt dan in de berging kan worden opgevangen, stort dit water via een noodoverloop versneld over naar het oppervlaktewater.

Waterkwaliteit

Omdat het hemelwater van verhardingen en daken, al dan niet na zuivering, vertraagd wordt afgevoerd naar oppervlaktewater en zich bij het grondwater voegt, is het belangrijk de waterkwaliteit te bewaken. Dit gebeurt door in het plan hemelwater van vervuilde oppervlakken te zuiveren alvorens het zich bij het grondwater of oppervlaktewater voegt. Daarnaast worden er geen uitloogbare materialen gebruikt en worden chemische onkruidbestrijding en strooizout zo min mogelijk gebruikt.

Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Hiertoe worden de volgende maatregelen genomen:

  • Oevers worden duurzaam ingericht. Deze oevers hebben een minimum talud van 1:4.
  • Oevers worden natuurvriendelijk ingericht. Deze natuurvriendelijke oevers hebben een minimum talud van 1:5. Afhankelijk van de beschikbare ruimte en functie kan een steiler talud worden toegepast.

Anticiperen op watertekort

Tijdens extreme droge perioden dient het inlaten van water mogelijk te zijn/blijven. De beschikbaarheid van water binnen het plangebied wordt in perioden van extreme droogte bepaald volgens de landelijke verdringingsreeks:

  • 1. Veiligheid en voorkomen van onomkeerbare schade: achtereenvolgens stabiliteit waterkeringen, klink en zetting (veen en hoogveen) en natuur (gebonden aan bodemgesteldheid).
  • 2. Nutsvoorzieningen. Achtereenvolgens drinkwatervoorzieningen en energievoorzieningen.
  • 3. Kleinschalig hoogwaardig gebruik: tijdelijke beregening kapitaalintensieve gewassen en proceswater.
  • 4. Overige belangen: scheepvaart, landbouw, natuur (zolang geen onomkeerbare schade optreedt), industrie, waterrecreatie en binnenvisserij.

Wateraspecten

In verband met de voorgenomen ontwikkeling is een memo over de wateraspecten opgesteld (ARCADIS, Memo Wateraspecten locatie Stichtse Putten Zeewolde, van 10 februari 2011), die is opgenomen in Bijlage 8 Memo wateraspecten. In de memo is gekeken naar grondwater, buitenbeschermingszone van de dijk, opvang van hemelwater en vuilwater.